Een wil tot weten

Voor verwonderaars

Deyssel als dandy in Parijs

Het Ik is voor mijn gevoel eigenlijk het enige Van Deyssel proza dat je nog voor je genoegen kunt lezen, zonder het zogenaamde ‘historische begrip’ te hulp te moeten roepen om de lectuur niet vroegtijdig te staken” schreef W.F. Hermans ooit en hij had daarmee gelijk. Vergeleken met Een liefde, Het leven van Frank Rozelaar en De kleine republiek leest Het Ik heerlijk. Het is verhalend, geestig en vol met filosofische overpeinzingen. In het boek lees je hoe de hoofdpersoon door Parijs trekt en in iedere situatie zijn eigenaardige levenshouding uit de doeken doet en tracht te verwezenlijken. Hoewel dit vermakelijk is om te lezen, is het werk verder uit te diepen door de levenshouding van de hoofdpersoon nader te bekijken. De hoofdpersoon die Lodewijk van Deyssel (1864-1952) heeft geschetst, is namelijk een dandy bij uitstek. 

Wat is een dandy?

Wie op internet zoekt naar de dandy komt als snel portretten van goed geklede Franse mannen tegen, zoals het schilderij van de Franse symbolist Robert de Montesquiou: chic gekleed met witte handschoentjes aan en een snor die haarfijn in vorm is gebracht, kijkt hij voldaan naar de blauwe derby van zijn wandelstok. De Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) beschrijft de dandy daarnaast als een figuur dat leeft en slaapt voor de spiegel. Zijn dandy’s dan simpelweg ijdeltuiten die Narcissus imiteren of hebben ze toch nog diepgang? 

Het is zeker waar dat een dandy zich op zichzelf richt, omdat hij een authentieke persoonlijkheid wil creëren. Dit streven naar volmaaktheid kan alleen lukken als hij zijn ik volledig afschermt van de buitenwereld, oftewel van de samenleving en anderen. De kleding, verfijnde manieren en houding van een dandy is dus niet zozeer bedoeld om bewondering op te wekken bij anderen, maar om zijn eigen wil en ziel verder vorm te geven en te verfijnen. Hij is in de woorden van Baudelaire “een hercules zonder werk”, een legendarische persoonlijkheid die zichzelf buiten de burgerlijke samenleving plaatst. 

Maar hoe zit het dan met die spiegel? De Franse nietzscheaan en hedonist Michel Onfray (1959) merkt op dat de manier waarop een dandy naar zichzelf kijkt wezenlijk verschilt van Narcissus die op slag verliefd wordt op zichzelf zodra hij zijn eigen beeltenis in het water ziet. De estheet kijkt in de spiegel voor introspectie, hij aanschouwt zichzelf en de situatie waarin hij zich bevindt om des te beter te kunnen handelen. Volgens Onfray gaat het oog van de dandy te werk als de kijker van een strateeg op het slagveld. Hier is dus niet sprake van een verliefde, maar juiste van een koele en calculerende blik. 

Hoewel ook de flamboyante veldheer Alcibiades uit de oudheid als een prototypische dandy wordt gezien, plaatst Baudelaire het dandyisme in een specifiek historisch moment: wanneer de aristocratische samenleving op zijn retour is en democratie, waarin iedereen gelijk is, zich ontpopt, trachten dandy’s een nieuwe vorm van aristocratie te stichten. De negentiende eeuw is dus het speelveld van de dandy en als de democratie en haar bijbehorende waarden in de twintigste eeuw daadwerkelijk beginnen te bloeien, stuit het dandyisme op een barrière. In de democratische samenleving is immers geen plek voor deze innerlijke aristocraten. Baudelaire vat deze gedachte als volgt samen: 

Het dandyisme is een zonsondergang; het neigt net zo magistraal, kil en melancholisch ter kimme als het hemellichaam. Maar helaas overstroomt het wassende water van de democratie, dat alles binnendringt en nivelleert, elke dag opnieuw deze laatste vertegenwoordigers van de menselijke trots en giet golven vergetelheid uit over de sporen van deze wonderbaarlijke Myrmidonen.

Het IK heroiesch-individualistische dagboekbladen 

De jonge Lodewijk van Deyssel was in de ban geraakt van een “heroïesch-individualistsche” levenswijze. Dit hield in dat hij ervan overtuigd was dat je het beste kan leven door waarheden uit jezelf te putten. Oftewel, de gevoelswereld schat Van Deyssel hoger dan de fysieke werkelijkheid. Wie zich kan inleven dat hij de loterij wint, heeft in feite de loterij al gewonnen. Een lot kopen is dan overbodig. De schrijver, maar ook de hoofdpersoon van Het Ik is dus als een God in het diepst van zijn gedachten. 

Op een terras in Parijs bespreekt de hoofdpersoon met zijn vriend dat ze de stad pas optimaal kunnen ervaren als ze hun inwendige wezen op de juiste manier hebben afgesteld. Wat volgt is een tocht door Parijs waar de hoofdpersoon steeds tracht om zijn bedachte houding in de praktijk te brengen. Hij gaat uiteten, bezoekt de kapper en het graf van Napoleon. In de Dôme des Invalides beseft hij zich dat hij het nooit zo ver als Napoleon zal schoppen. Tegelijkertijd bedenkt de hoofdpersoon dat dit gelukkig ook niet noodzakelijk is; door in te beelden dat hij de keizer van Frankrijk is, heeft hij zijn doel al bereikt:

Wat zou ik moeite geven om koning te worden indien het mij mogelijk is te beseffen, dat ik reeds koning ben.

Desalniettemin is de hoofdpersoon zich extreem bewust van de manier waarop hij zich door de wereld beweegt. Hij peinst bijvoorbeeld uitvoerig over de vraag of het passend is om zich door een huurrijtuig te laten vervoeren en is ervan overtuigd dat hij beter op zijn tenen kan lopen, omdat hij zich dan al dansend lijkt voort te bewegen. Dit staat allemaal in het teken van het perfectioneren van zijn houding. Het is in zulke zaken dat het dandyisme het meest doorschijnt. De verteller observeert zichzelf constant om zichzelf op de juiste manier vorm te geven. Daarnaast is hij onmiskenbaar aristocratisch ingesteld. Hij ziet zichzelf als het neusje van de zalm van de menselijke soort: 

Het leven is als een boom, waarvan zekere menschensoorten de wortels zijn, andere stam en schors, andere de takken en de bladen, en wij zijn er de bloesems van. Wij hebben fraai te zijn, te behagen en het leven te laten gaan wanneer het zich in en door ons verheugt

In tegenstelling tot Baudelaire denk ik dat deze houding, wellicht in afgezwakte vorm, nog steeds aanwezig is. Op sociale media kom je namelijk zogenaamde main characters tegen. Mensen die hun leven proberen te leven door zichzelf de hoofdrol toe te bedelen. Hun leven speelt zich als het ware altijd af op het podium. Ze zijn flamboyant gekleed, nadrukkelijk aanwezig en onbeschaamd performatief.  Op het drukste terras van de stad lezen ze achteroverleunend met een zonnebril op een dichtbundel van een miskende poëet. Gebeurtenissen en andere mensen zijn het materiaal waar de hoofdpersoon zijn eigen character development mee kan bewerkstelligen. Vrienden en kennissen worden zo onderdeel van een entourage waarmee de hoofdpersoon kan pronken. En net als de hoofdpersoon uit Het Ik kunnen ze het stiekem niet laten om na te gaan of anderen hun markante verschijning opvalt. 

-Jesse de Kleijn

Verder lezen

Charles Baudelaire. Schilder van het moderne leven

Lodewijk van Deyssel. Het IK heroiesch-individualistische dagboekbladen

Michel Onfray. Levenskunt naar een esthetische moraal

W.F. Hermans. “Van Deyssel’s dandyisme.” In Ik draag geen helm met vederbos.