Eeuwenlang zou het lichaam verwaarloosd zijn door de filosofie. Het Westerse denken zou alleen geïnteresseerd zijn in de geest en in grote abstracties, waardoor het concrete en lichamelijke geen aandacht kreeg. Vanaf het midden van de vorige eeuw is daar verandering in gekomen. Zo kreeg het lichaam een sleutelrol in de Fenomenologie van de waarneming van de fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty (1908-1961). Inmiddels is de term ‘belichaming’ dan ook niet meer weg te denken uit de filosofie. Het klopt dat het lichaam lang geen centrale rol had in de filosofie. Toch leert de geschiedenis dat filosofen wel degelijk belangstelling hebben gehad voor het lichaam. Een filosoof die niet vaak in verband gebracht wordt met belichaming is bijvoorbeeld de Duitse verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804), terwijl hij wel degelijk iets over het lichaam te zeggen had.
Kant staat bekend als een groot denker die zich in zijn ambitieuze filosofische project ten doel stelde, te onderzoeken wat de rede vermag. De grenzen van de menselijke kennis moesten voor Kant voor eens en altijd vastgesteld worden, zodat paal en perk gesteld kon worden aan de metafysische speculatie die in zijn tijd welig tierde. Het is daarom geen wonder dat de Pruis zich vooral bezighield met de menselijke redelijkheid, waardoor hij weinig rekening hield met het menselijke lichaam.
Toch laat Kant zich hier en daar erg positief uit over het lichaam. De filosoof was bijvoorbeeld onder de indruk van de menselijke hand. In zijn Anthropologie in pragmatischer Hinsicht (1798) maakt Kant een onderscheid tussen de zintuigen die beter in staat zijn objectieve kennis op te leveren en die zintuigen die daarvoor minder geschikt zijn. Reuk en smaak zitten in de tweede categorie. Als we iets ruiken of proeven, vinden we dat misschien aangenaam of niet, maar deze gegevens leren ons meestal weinig over het object zelf. Wanneer we iets zuurs proeven, kunnen we het lekker of vies vinden, maar het levert ons verder geen kennis op. Tot de eerste categorie, dus de zintuigen die het nuttigst zijn om iets te kennen, rekent Kant zicht, gehoor en tast.
Kant volgt de filosofische traditie en benoemt, net als bijvoorbeeld Aristoteles, het zicht tot het nobelste zintuig. Toch stelt Kant dat tast de belangrijkste van alle zintuigen is. Het voelen is immers onmiddellijk: als we iets aanraken, zijn we meteen in intiem contact met dat voorwerp. Zicht en gehoor zijn zeker ook erg belangrijk, maar volgens Kant zijn ze niet onmiddellijk. Als we iets zien, wordt dat bemiddeld door het licht. En als we iets horen, is dat alleen omdat de lucht het medium is voor trillingen. Maar door iets te voelen, is er direct contact tussen de waarnemer en het waargenomen. Sterker nog, alleen omdat we met onze handen voorwerpen kunnen voelen, kunnen we een begrip te vormen van de vorm van een lichaam. Als dit op de juiste manier samengebracht wordt met ons gezichtsvermogen, leren we de ruimtelijke relaties van voorwerpen goed te zien. Daarna pas kunnen we de vorm van een object waarnemen met zicht. De tast is voor Kant dus het primaire zintuig.
De mens is volgens Kant zelfs het enige dier dat gevoel heeft in zijn handen. Dat heeft volgens hem te maken met de uitzonderlijke positie van de mens ten opzichte van de andere dieren. Wij mensen zijn door de natuur begiftigd met het vermogen tot verstand en kunnen ons daarom ontwikkelen tot een rationeel dier. Met andere woorden: we hebben een potentie tot rationaliteit, die we kunnen verwezenlijken.
Deze rationaliteit wordt in verschillende capaciteiten uitgedrukt. Eén van deze capaciteiten noemt Kant de technische capaciteit (technische Anlage). In tegenstelling tot de andere dieren worden wij mensen zonder enig instinct geboren. We kunnen dus niet vertrouwen op aangeboren gedragspatronen en moeten ons met de rede zien te redden. Hoewel de natuur ons geen instincten geschonken heeft, was zij wel zo verstandig om ons iets anders te geven: onze handen. De vorm van onze handen weerspiegelt ons vermogen tot redelijkheid. De functie van de menselijke hand is namelijk relatief onbestemd. Waar bijvoorbeeld de klauwen van een beer of de scharen van een krab maar op erg beperkte manieren gebruikt kunnen worden, kunnen we onze handen inzetten voor oneindig veel doeleinden.
Voor vrijwel alle menselijke activiteiten, van de alledaagste tot de bijzonderste, zijn onze handen nodig. Denk bijvoorbeeld aan het koken. We staan er zelden bij stil hoe veel precisie en fijne motoriek deze alledaagse activiteit vereist: het schillen en snijden van groenten, het oppakken en verplaatsen van pannen, het roeren en afgieten. We kunnen ook denken aan meer intellectuele vaardigheden, zoals het schrijven of typen van teksten, of het voorbereiden van een microscoop om een monster te bestuderen. Voor al deze vaardigheden, die allemaal op hun eigen manier de menselijke rede nodig hebben, zijn onze handen geschikt juist omdat ze onbestemd zijn.
Voor Kant zijn onze handen de perfecte lichamelijke uiting van onze redelijkheid. Het is dan ook geen wonder dat een foutief (!) aan Kant toegeschreven uitspraak luidt dat de hand het zichtbare deel van het brein is. Dit heeft Kant nooit op deze manier gezegd, maar dat had wel goed gekund. Al aan het einde van de achttiende eeuw, voordat Merleau-Ponty zijn onderzoek op de belichaming richtte, zag deze grote denker het belang van het lichaam in onze relatie met de wereld al in.
-Jonas Müller
verder lezen
Kant, I. (1912). Anthropologie in pragmatischer Hinsicht. Felix Meiner. Origineel gepubliceerd in 1798. pp. 153-157, 322-323.
Merleau-Ponty, M. (2017). Fenomenologie van de waarneming (Vertaald door D. Tiemersma en R. Vlasblom). Boom. Origineel gepubliceerd in 1945.
