Een wil tot weten

Voor verwonderaars

Tussen waarheid en getuigen 

‘De hele waarheid en niets anders dan de waarheid,’ zo klinkt de belofte die ooggetuigen afleggen alvorens zij getuigen in een rechtszaak. Van een getuige wordt verlangd om zonder leugens en bedrog te vertellen wat hij of zij heeft meegemaakt. Op die manier levert de getuige informatie die een rechter nodig heeft om een weloverwogen beslissing te maken. Maar heeft dat oordeel echt te maken met waarheid? Een getuigenis is immers enkel gebaseerd op iemands ervaring. Hoe weten we of diegene de waarheid in pacht heeft? En wat verlangen we dan eigenlijk van een getuige?  

De Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004) meent dat een getuigenis een soort oproep is om een singuliere ervaring universeel te maken. Kenmerkend voor een getuigenis is, dat iemand altijd vanuit de eerste persoon spreekt. Het gaat om wat diegene heeft meegemaakt en diens eigen belevenis daarvan. Dat betekent volgens Derrida dat getuigenissen uniek en onvervangbaar zijn.  

Toch wordt er verwacht dat we deze unieke ervaring met anderen kunnen delen. Dat zien we bij uitstek gebeuren in rechtszaken, waarbij een ooggetuige zijn verhaal met advocaten en rechters deelt. Natuurlijk kan iemand zijn ervaring tot op zekere hoogte overbrengen, maar Derrida’s punt is dat toehoorders van een getuigenis, zoals een rechter of advocaat, nooit directe toegang hebben tot de gebeurtenis, omdat zij er niet bij waren. Zij hebben immers niet meegemaakt wat de getuige heeft doorgemaakt. Het is dus niet meetbaar of de ooggetuige een betrouwbare weergave schetst van wat er is gebeurd.   

Dit komt volgens Derrida doordat een getuige ook zelf slechts beperkte toegang heeft tot datgene waarvan hij getuigt. Op het moment dat een getuige zijn getuigenis aflegt, is hij namelijk niet meer aanwezig bij de gebeurtenis waarover hij spreekt. Dat brengt risico’s met zich mee. Ons geheugen en onze waarnemingen laten ons bijvoorbeeld vaak in de steek, waardoor we belangrijke details vergeten of niet alles scherp hebben. Denk aan mensen die misbruikt zijn en zich tijdens het vergrijp distantieerden om zichzelf te beschermen, maar daardoor delen van het voorval niet meer herinneren. Derrida gelooft daarom dat we nooit volledig grip kunnen hebben op onze ervaringen, omdat we die uit het oog verliezen zodra we ervan proberen te getuigen.    

Kunnen we dan nog wel vertrouwen op iemands getuigenis? Nee, meent de Griekse filosoof Plato (427 v.Chr. – 347 v.Chr.). Wie denkt dat hij te maken heeft met een waarheidsclaim, moet dat nog eens heroverwegen. Volgens de oude Grieken vallen getuigenissen namelijk onder de retorica – de kunst van het welspreken. Een getuigenis gaat volgens Plato dus niet over de inhoud, maar over hoe de boodschap wordt overgedragen. In die zin is een getuigenis pas geslaagd als de ooggetuige ons weet te overtuigen.  

Zeker in landen als de Verenigde Staten, waar mensen worden opgeroepen voor juryplicht, wordt van een getuige verlangt dat hij inspeelt op de verwachting van het publiek. We willen logische redenen horen waarom iemand schuldig of onschuldig bevonden wordt. Maar volgens Plato hebben die argumenten vaak minder te maken met wat er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Een goede getuige zou zich volgens Plato dus niet moeten richten op hoe zijn verhaal overkomt, maar op het delen van de waarheid. 

Wat deze denkers ons leren, is dat rechtszaken niet altijd draaien om de waarheid. Een getuigenis vormt dus geen waarheid, maar slechts een versie daarvan. 

-Liza Görlach

verder lezen

Plato. Phaedrus. 

Maurice Blanchot & Derrida. The Instant of My Death/Demeure