Een wil tot weten

Voor verwonderaars

Ernst Machs filosofisch zelfportret

Als we aan een zelfportret denken, zal waarschijnlijk een werk als dat van de beroemde Rembrandt voor ons geestesoog verschijnen:

Zelfportret, 1669 

Sommige zelfportretten zijn minder conventioneel. Zo tekende M. C. Escher hoe hij zichzelf zag, weerspiegeld in een glazen bol: 

Hand met spiegelende bol, 1935 

In dit zelfportret houdt Escher rekening met de vervorming van zijn weerspiegeling in de bol, maar nog steeds heeft de kunstenaar zijn uiterlijk nauwkeurig weergegeven. In een van de zelfportretten van Pablo Picasso heeft de schilder zichzelf daarentegen opzettelijk niet natuurgetrouw weergegeven:  

Zelfportret, 1907 

Zo bestaan er dus bijzondere werken bekend die, hoewel ze de maker van het kunstwerk afbeelden, niet voldoen aan onze standaardvoorstelling van een zelfportret. Ik wil in dit stuk stilstaan bij een zeer uniek zelfportret van de Oostenrijkse natuurkundige en filosoof Ernst Mach (1838-1916), dat een eigen plek verdient in de kunstgeschiedenis. Ik wil dit zelfportret een filosofisch zelfportret noemen. Dat wil zeggen dat het een zelfportret is, gemaakt met de intentie om een filosofisch idee of begrip toe te lichten.  

In Machs werk Beiträge zur Analyse der Empfindung (Bijdragen aan de analyse van sensatie) uit 1886 verschijnt de volgende tekening:  

Blik uit linkeroog, 1886 

In Machs zelfportret schetst de filosoof hoe hij zichzelf en zijn omgeving waarneemt door zijn linkeroog. Dit eerste persoons perspectief is zeer uniek. Als we namelijk even de tijd nemen om stil te staan bij de vorige zelfportretten, valt het op dat zij eigenlijk juist niet afbeelden hoe wij onszelf dagelijks zien. Ik bedoel niet alleen dat we onszelf niet waarnemen in een spiegelende bol, of met een kubistisch gezicht. Voornamelijk bedoel ik dat we onszelf niet zo vaak vanuit het derde persoonsperspectief zien. Natuurlijk, we zien onszelf zo nu en dan op foto’s of in de spiegel, en deze kunstenaars hebben natuurlijk dankbaar gebruik gemaakt van die hulpmiddelen bij het maken van hun zelfportretten. Maar doorgaans nemen we onszelf heel anders waar.  

Zoals Mach toont in zijn tekening, kunnen we onze ledematen en de voorkant van het bovenlichaam zien. Van ons gezicht zien we op zijn meest een deel van de neus, de bovenlip en de wenkbrauwen. We zijn niet in staat om datgene te zien waaraan de anderen ons juist herkennen; ons eigen gelaat. Nooit zal ik mijn eigen gehele gezicht waarnemen zoals anderen dat bij mij wel kunnen. Hij schrijft: “Mijn lichaam onderscheidt zich van andere menselijke lichamen … doordat het slechts gedeeltelijk en in het bijzonder zonder hoofd wordt gezien” (p.14). Het valt op dat zelfportretten eigenlijk altijd vanuit het derde persoons perspectief geschilderd worden. Een zelfportret vanuit het eerste persoons perspectief is uiterst zeldzaam.  

Daarnaast heb ik gezegd dat ik het werk van Mach een filosofisch zelfportret wil noemen. Daarmee bedoelde ik dat het een zelfportret is dat als toelichting of als illustratie van een filosofisch idee dient. Daarom moet ik eerst de nodige filosofische achtergrond toelichten voordat we Machs zelfportret volledig naar waarde kunnen schatten. 

Mach was een radicale empirist. Dat wil zeggen dat we alleen onze eigen zintuiglijke informatie kunnen kennen. Volgens Mach moeten we zelfs zeggen dat de wereld “bestaat uit onze sensaties” (p.8). Bij “sensaties” moeten we denken aan kleuren, geuren, geluiden enzovoorts. Mach noemt deze sensaties “elementen”. Deze elementen kunnen als het waren samenplakken. Als enkele van die elementen op de juiste manier samenplakken, ontstaan voorwerpen. Zo zouden we bijvoorbeeld een elementcomplex dat een grofweg ronde vorm heeft, rood van kleur is en een zoete smaak heeft een appel noemen.  

Met dit radicale empirisme denkt Mach korte metten te kunnen maken met veel klassieke problemen uit de filosofie. Zo vragen filosofen zich bijvoorbeeld af wat nou de werkelijk aard van de wereld is. Ze vragen zich af waar de wereld echt uit bestaat, of ze proberen aan te tonen dat de buitenwereld daadwerkelijk bestaat. Volgens Mach hoeven we over deze vraagstukken geen zorgen te maken. We moeten helemaal niet uitgaan van een echte wereld achter de elementcomplexen. De wereld is simpelweg die elementcomplexen.  

Een ander befaamd en berucht probleem uit de filosofie is die van het “Ik”. Veel mensen vragen zich af wat hun ware “Ik” nou is. Ben ik een immateriële en onsterfelijke ziel, of ben ik niets meer dan een brein? Mach is niet onder de indruk van dat eeuwige zoeken naar het echte, authentieke “Ik” van al die filosofen en leken. Volgens hem is het “Ik”, waar zo veel filosofen en leken vlijtig naar zoeken en over ruziën, is niets meer dan een praktisch principe. Dat wil zeggen dat we bepaalde elementcomplexen “Ik” noemen, omdat ze een sterkere samenhang hebben dan andere en het op dat moment handig is ze “Ik” te noemen. 

Dat er niet één, authentieke “Ik” bestaat, blijkt uit het feit dat het “Ik” ook aan verandering onderhevig is. Als ik wakker ben, zal mijn “Ik” uit een andere samenstelling van elementen bestaan als wanneer ik droom. In sommige gevallen, zoals wanneer ik buiten bewustzijn ben of dood, bestaan er geen elementen meer die een “Ik” kunnen vormen. In dat geval bestaat er dus geen “Ik”.  

Volgens Mach is dus het zoeken naar het “Ik” helemaal geen ingewikkelde filosofische vraag. Hij verwijst naar een tekst van de schrijver Karl Kraus om toe te lichten wat hij van die activiteit vindt:  

“Opdracht: De zelfbeschouwing “Ik” uitvoeren. 

  Oplossing: Men voert haar zonder meer uit.”  

Met ander woorden, je “Ik” vinden is iets wat je onmiddellijk doet. Er is geen mysterieuze zelf die we uit de diepe krochten van de geest moeten delven. Dit moet Machs illustratie duidelijk maken: “Om deze filosofische “Veel drukte om niets” op een ludieke wijze te illustreren en tegelijkertijd aan te tonen hoe men werkelijk de zelfbeschouwing “Ik” uitvoert, ontwierp ik de bovenstaande tekening” (p.15). Mach zegt met zijn tekening dus tegen zijn lezer dat je om jezelf te vinden alleen maar hoeft te kijken; dit ben ik, dit is “Ik”!  

Sterker nog, de schets van Mach is naast een zelfportret ook een tekening van zijn gehele wereld op dat moment. Dat klinkt vreemd, maar als we terugdenken aan zijn radicale empirisme, zal deze opmerking meteen duidelijk worden. Mach had namelijk gezegd dat we alleen uit mogen gaan van dat wat we direct waarnemen. We mogen niets aannemen over een objectieve wereld die onafhankelijk van onze sensaties bestaat. Als ik nu in mijn kamer zit en mijn rechteroog sluit, bestaat mijn hele wereld uit mijn kamer. 

Machs zelfportret is kortom op twee manieren bijzonder. Ten eerste is een zelfportret vanuit eerste persoons perspectief is al zeer merkwaardig. Ten tweede vinden we hier een filosofisch zelfportret, dus een zelfportret om een filosofisch idee toe te lichten. Illustraties komen vaker voor in filosofische verhandelingen, maar zo ver ik weet is dit het enige zelfportret van de auteur in een eigen werk. Daarom kunnen we Mach naast natuurkundige en filosoof ook een beetje als een kunstenaar beschouwen.  

-Jonas Müller

verder lezen

Mach, Ernst. 1886. Beiträge zur Analyse der Empfindung. Jena, Verlag von Gustav Fischer.